Vernieuwing, juni 2005
Rob Martens
Laatst had ik het genoegen deel te nemen aan het Educafé, georganiseerd door de branchevereniging van educatieve uitgeverijen. Niet gespeend van eigenbelang probeerden de uitgevers het belang van veelvuldig ververst en actueel onderwijsmateriaal aan de man te brengen bij de verzamelde onderwijsopiniemakers en Kamerleden. Toevallig was die dag ook het Kamerdebat geweest over de lederwijsscholen.
Een paar Kamerleden hadden zich druk gemaakt over het ontbreken van goede toetsingskaders. Of de minister niet snel maatregelen kon nemen tegen deze speeltuinen. Mariëtte Hamer, PVDA-onderwijswoordvoerster, wees er fijntjes op dat het wel raar was: hoe rechtser partijen zijn en hoe hoger ze (onderwijs)vrijheid in het vaandel voeren, des te heviger het verzet tegen de veronderstelde totale vrijheid bij de lederwijsscholen.
Zo stelt Geert Wilders, die het bedilzuchtige ministerie van Onderwijs wil afschaffen, in zijn Onafhankelijkheidsverklaring dat leerlingen juist wel grondiger getoetst moeten worden op kennis van cultuur, nationale identiteit en verleden. In het Educafé heb ik er eens op gelet en werkelijk iedereen die het had over het 'Nieuwe Leren' of 'Onderwijs van de toekomst', waarin de leerling centraal staat, motivatie een kembegrip is en de leerling vooral veel zelf moet ontdekken, haastte zich erbij te zeggen dat wat lederwijs doet natuurlijk niet kan, zo helemaal zonder structuur. Dat is toch opvallend.
Waar velen in theorie het Nieuwe Leren belijden, waarin de leerling met zijn eigen interesses en nieuwsgierigheid centraal staat, waarin de leerling autonoom is en keuzevrijheid heeft, waarin wordt samengewerkt en klassikale structuren worden doorbroken, durven weinigen ook echt te kiezen voor wat er gepredikt wordt. Klaarblijkelijk is het bon ton om lederwijs te radicaal, te ondoordacht of te wild te vinden. Dat maakt lederwijs toch tot een opvallend fenomeen dat in toenemende mate begint te fungeren als een breekijzer in de discussies over onderwijsvemieuwing. Er is nog iets dat opvalt: de groei van onderop. Het is opmerkelijk dat er zoveel ouders zijn die kiezen voor deze moeilijke weg, die veel geld kost, en die door vele deskundigen wordt verketterd. Een weg die bovendien niet door enig ministerie wordt ondersteund noch gestimuleerd. Hoe komt dat toch? Misschien zegt de belangstelling voor lederwijs vooral iets over de manier waarop velen over ons 'huidige' onderwijs denken.
Onderzoek leert dat het onderwijs een meritocratie is geworden: leerlingen die goed presteren stromen ook door naar de hogere onderwijstypes. De schaduwkant van deze ontwikkeling is dat de concurrentie enorm is geworden. De selectiedruk is ontstellend en inmiddels wordt bij kinderen in groep twee al uit den treuren geplot hoe ze ervoor staan ten opzichte van de normaalcurve op ieder denkbaar gebied. Kijk eens om u heen bij ouders van schoolgaande kinderen. Wat een stress, wat een geruzie om huiswerk, wat een gedoe over a1ferlijsten, toelatingseisen, vakkenpakketten, verplichte werkstukken, cito-toetsen, angst voor het VMBO en nog eens huiswerk. En dat toetsen wordt alleen maar meer, aldus Mien Segers in haar oratie over assessment.
lederwijs is primair een antischool. Ouders die hun kinderen erheen sturen hebben zelf natuurlijk ook op school gezeten, en vrijwel altijd hebben hun kinderen eerst op een meer 'traditionele' school gezeten. Veel lederwijzers hebben eerst gewerkt in het 'traditionele' onderwijs. Wie het werk leest van Greenberg, een van de geestelijke vaders van de beweging, leest vooral kritiek op het traditionele onderwijs. En het sterke gevoel dat het anders moet en kan, ook al kunnen we het allemaal niet bewijzen of theoretisch onderbouwen. Daarmee is lederwijs een grote sprong in het diepe. In plaats van ons alleen af te vragen waarom mensen zo'n sprong wagen en waar hun kinderen in Godsnaam terecht zullen komen, dwingt lederwijs ook om ons af te vragen of het niet een reddingssprong is uit een zinkend schip.