Spelen
‘Je speelt wat er in je speelt’
Een vorm van leren is spelen. Er wordt veel gespeeld op Iederwijs. Spelen is een houding ten opzichte van de wereld. Een houding van openheid, van uitproberen en van creëren. Een belangrijk kenmerk van spelen is dat de uitkomst van wat je doet open is.
Spelen vindt plaats op de grens van wat je kunt en wat je zou willen kunnen. Steeds wanneer een uitdaging gehaald is creëer je een nieuwe situatie waarin je weer in het spanningsveld komt van iets net wel of niet kunnen. Een té grote stap levert angst op, een té kleine stap zou saai en vervelend zijn. De grens maakt het leuk en spannend.
Een voorbeeld uit het zwembad. Kinderen springen vanaf de kant in het water. Geen enkel kind maakt een uur lang alleen maar dezelfde sprong. Op een gegeven moment zoeken ze een nieuwe uitdaging: verder springen, hoger springen, achterstevoren springen, tegelijk springen met anderen, springen met een vuilniszak vol lucht in je handen, zo diep mogelijk springen, een bommetje maken. Er blijft een voortdurende stroom van ontwikkeling.
Er wordt voortdurend bijgesteld en bijgestuurd, zodat het voor ieder een optimale situatie blijft.
In het spel worden nieuwe dingen uitgeprobeerd. In spel wordt dit stap voor stap verkend. Werelden worden nagespeeld om te ervaren hoe die werelden in elkaar zitten. In dit proces gebeuren er zeer veel onverwachte dingen, het vraagt een grote flexibiliteit iedere keer weer te kunnen inspelen op nieuwe situaties en de vele factoren hierin mee te nemen waar het kind mee te maken krijgt. In feite is spelen een voortdurend creatief proces.
Spelen is daarbij een manier om emotioneel dingen te verwerken en te integreren. Spelen maakt het voor kinderen mogelijk om op te groeien zonder hun gevoelens te moeten scheiden door hun denken. Spelen is de houding die je nodig hebt om in een steeds veranderende omgeving te kunnen functioneren.