Kinderen kiezen vanuit hun eigen interesse wat, hoe, met wie en op welk moment ze
iets willen leren.
Kinderen willen kunnen functioneren in de omgevingen waarin ze zich bevinden. Ze kiezen
datgene wat ze aan kunnen en aan willen gaan, wat hen het meeste oplevert. Hierbij is hun
eigen gevoel een belangrijke bron van kennis, die bewust en onbewust de informatie uit de
omgeving, zichzelf en het verleden integreert. Leren vindt plaats in formele en informele
situaties, in kleine en grote groepen en individueel.
Volwassenen hebben de taak om naast de activiteiten van de kinderen een actief aanbod te doen in verschillende leergebieden. Zij hebben tevens de taak zicht te houden op de ontwikkeling van kinderen. Zowel op het gebied van competentie, maar ook in relatie en in het neerzetten van de eigen autonomie.
Kinderen worden voor het vergroten van hun competentie niet gemotiveerd door dwang of het opleggen of het motiveren vanuit een vaststaand systeem, maar vanuit de zorg om te zien wat het kind werkelijk nodig heeft om in deze maatschappij te kunnen functioneren. Iedere begeleider is competent in het zien en aanbieden van leerlijnen zoals we die in onze maatschappij hebben afgesproken met elkaar (de kerndoelen). Leerkrachten organiseren een zo divers aanbod dat dit aanbod de kerntaken die de maatschappij van ons vraaqt dekt. In samenspraak met het kind, de begeleiders en de ouders wordt ervoor gezorgd dat alle kinderen toekomen aan het, naar capaciteit, bereiken van de kerndoelen.