Vrijheid met verbondenheid is het startpunt, en tegelijkertijd het resultaat van een voortdurende ontwikkeling. Ieder is autonoom om de eigen activiteiten te ondernemen met het bewustzijn dat geen enkele actie negatieve gevolgen heeft voor de ander.
In de groep ontstaat vanuit relatie een natuurlijke zelfsturing en -regulering in de vorm van feedback op negatief gedrag, en versterking van positief gedrag. Je bent vrij in je handelen, totdat je op de grens van een ander komt. Deze confrontaties maken je bewust van wat je doet.
De schoolbijeenkomst is hierin ondersteunend als plek waar meer grotere thema’s naar
voren komen.
Kinderen leren de individuele grenzen en behoeften te verwoorden en af te stemmen metlkaar.
Omdat je je verbonden voelt met de anderen, kan je ook vrij zijn, jezelf zijn, omdat je
weet dat je erbij hoort. Kinderen worden wij(s).
Vrijheid met verbondenheid betekent ook het besef dat de school en degenen die daarbij betrokken zijn ook een relatie hebben met de maatschappij. De school heeft een maatschappelijke opdracht die onder andere bestaat uit het vormgeven en nastreven van bijvoorbeeld de kennisgebieden zoals die omschreven zijn in de kerndoelen. De school is zo ingericht dat kinderen zich competenties eigen kunnen maken. Het aanbod op het gebied van competentie is zo ingericht dat alle kinderen deze kennisgebieden krijgen aangeboden.
Verbondenheid houdt ook in dat de vorderingen van alle kinderen in beeld gebracht worden volgens een wijze die past bij de kleur van de school. Het aanbod wordt in kaart gebracht, met daarbij datgene wat kinderen al gerealiseerd hebben. Daarnaast leeft de school vanuit de eigen waarden dat onderwijs meer impliceert dan het bieden van competentiegericht lesaanbod.
Gelukkig zijn, je verbonden weten met de wereld om je heen (in kleinere en grotere zin) zijn opdrachten die de school zich stelt.